​‘Nieuw marktmodel voor stadswarmte nodig’

02.12.2016 | Branchenieuws | 1222 keer bekeken
​‘Nieuw marktmodel voor stadswarmte nodig’

Om stadsverwarming duurzaam te laten groeien moeten een aantal barrières worden doorbroken. Nederland kan voor een nieuw marktmodel leren van Zweden en Denemarken, concludeert masterstudent Alexander Oei van de TU Delft.

Tekst: Joost Agterhoek

Oei bekeek de warmtevraag en -voorziening van Nederland en onderzocht waar er ruimte was voor verbetering van beleid. Die ruimte is er vooral in de warmtevoorziening tot 100 graden, bedoeld voor de gebouwde omgeving, glastuinbouw en een specifiek deel van de industrie. Vergroening van deze warmte is mogelijk met bestaande technieken en alternatieven voor gas, waaronder stadsverwarming, elektrische warmtepompen en verwarming met zonne-energie. Stadsverwarming biedt volgens Oei een ‘enorm potentieel’  voor minder CO2-uitstoot en afhankelijkheid van gas. Dat potentieel schuilt vooral in de mogelijke inzet van verschillende energiebronnen voor stadsverwarming en het potentieel van deze bronnen, zoals restwarmte.

Niet-meer-dan-anders-principe
Niet alle kansen worden echter benut, concludeert Oei. Want hoewel de huidige regelgeving stadsverwarming en andere alternatieve technieken stimuleert, zijn er nog ‘fysieke en institutioneel-economische barrières’ die de groei van stadsverwarming en de transitie naar een meer duurzame warmtevoorziening beperken. Denk aan de relatief hoge transportkosten van stadsverwarming ten opzichte van gas, het gebrek aan keuze van een warmteleverancier door consumenten en het niet-meer-dan-anders (NMDA) principe. Dat principe beschermt consumenten weliswaar tegen een monopolie van warmteleveranciers, maar maakt het ook moeilijk om stadsverwarming winstgevend te maken doordat de gemaakte kosten vaak veel hoger zijn dan de vastgelegde prijs.

Nieuwe marktmodellen nodig
Om de barrières op te heffen zijn nieuwe marktmodellen voor stadsverwarming nodig, zegt Oei, die daarvoor over de grens keek. Hij kwam uit bij Zweden en Denemarken, aangezien deze landen onder andere eenzelfde institutionele context hebben als Nederland en stadsverwarming er een stuk groter is. Ter vergelijking: 6 procent van de Nederlandse huishoudens heeft stadsverwarming tegen 52 procent in Zweden en 63 procent in Denemarken. Oei analyseerde het Nederlandse, Zweedse en Deense marktmodel aan de hand van variabelen als publiek versus particulier eigendom, de voorwaarden voor toegang tot het warmtenetwerk, tariefregulering en prikkels voor consumenten en producenten om over te stappen op stadsverwarming.

Tariefregulering of marktwerking
Duidelijk wordt dat de marktmodellen danig verschillen: het Nederlandse NMDA-principe maakt in Denemarken plaats voor regulering van de warmteprijs, dat is gebaseerd op de kosten van stadswarmte, wat de weg vrijmaakt voor tariefdifferentiatie. In  Zweden is er geen tariefregulering en dus geen maximumprijs. De Zweedse autoriteit vertrouwt op concurrentie tussen verschillende warmteopties voor de vorming van competitieve prijzen en producten in de warmtesector. Dit omvat hoofdzakelijk concurrentie tussen stadsverwarming, de elektrische warmtepomp en traditionele houtgestookte ketels. Wel heeft Zweden een uitgebreide energie- en CO2-taks die de prijzen beïnvloedt, omschrijft Oei. Ook geldt er in Zweden, in tegenstelling tot Nederland, geen verplichting voor consumenten om aan te sluiten op stadsverwarming of de aansluitkosten te betalen.

Deense of Zweedse weg?
In de thesis stelt Oei, geïnspireerd door het Zweedse en Deense model, twee verschillende nieuwe marktmodellen voor met het oog op de Nederlandse stadsverwarmingssector. Moet de Nederlandse regering nu de Zweedse of de Deense weg volgen? Dat is een goede vraag voor vervolgonderzoek, zegt Oei in gesprek met Ensoc.nl. “Daarvoor is allereerst een kostenbatenanalyse nodig. Daarbij zijn politiek gedreven keuzes nodig, bijvoorbeeld of stadsverwarming gesubsidieerd moet worden.”

Duidelijke keuze
Wat Nederland wel kan meenemen van de Scandinavische landen is het belang van een duidelijke keuze, denkt Oei. “Stadsverwarming wordt in Zweden en Denemarken gezien als een mooie oplossing. Daarom worden alternatieven als kolen en aardgas hoger belast, naar rato van de CO2-uitstoot, en stadsverwarming verder gestimuleerd. Dat zouden we in Nederland ook kunnen doen.”

Tariefdifferentiatie
Nederland heeft echter momenteel een aardgas-referentie: tariefdifferentiatie is hier op dit moment niet mogelijk, zegt Oei. “In Zweden is dit heel normaal. De hoogste prijs lag in 2011 twee keer zo hoog als de laagste. Door die variabele beprijzing toe te laten, zouden we in Nederland ook dichter bij de gemaakte kosten voor stadsverwarming kunnen komen.” Beleidsmakers kunnen zijn thesis gebruiken als tool ter ondersteuning van de ontwikkeling van nieuwe marktmodellen voor de stadsverwarmingssector, aldus Oei.

Alexander_Oei_bron=PaulienHerder.Twitter

Alexander Hong Gie Oei studeerde op 22 november 2016 af aan de TU Delft. Zijn afstudeerbegeleider was Paulien Herder, hoogleraar Engineering Systems Design in Energy & Industry. Download zijn masterthesis ‘Towards a new market model for the Dutch district heating sector’.

Foto: De aanleg van een 800 meter lange warmtepijpleiding onder het Noordzeekanaal, parallel aan de tweede Coentunnel. De leiding verbindt het stadswarmtenet van Nuon met Amsterdam-Noord (foto Nuon / Jorrit Lousberg).


Redactie Ensoc, 2-dec-15

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Meld jezelf nu aan voor de Ensoc nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws, trends en aanbiedingen.

Reacties (5)

Reageren
  • P. Lomito
    28.12.2016 - 15:38 uur | P. Lomito

    @ Hette Hylkema Waar isolatie niet mogelijk is of beperkt mogelijk, denk aan monumentale gebouwen, is restwarmte geen optie. Restwarmte (dus geen aftapwarmte of naverwarming met wijkgascentrales) is door de lage temperatuur ongeschikt voor gebouwen met een hoge warmtevraag en derhalve ook niet uitgerust kunnen worden met LTV-warmteafgifte. Voor deze gebouwen zijn gasketels nog altijd de meest gunstige manier van verwarmen.

  • Hette Hylkema
    08.12.2016 - 13:48 uur | Hette Hylkema

    Betere isolatie van panden is natuurlijk altijd zinvol om energie te besparen en daarmee CO2-uitstoot. Waar dit niet kan en restwarmte voorhanden is, zou een warmtenetwerk verdere energiebesparing kunnen opleveren, vooral met lage watertemperaturen. Hoe lager, hoe meer restwarmte voorhanden is en een hogere energiebesparing bij gebruik van warmtepompen en aftap uit centrales. Bij lagere temperaturen zijn bovendien kunststof leidingsystemen beter toepasbaar die een snellere en vaak goedkopere aanleg mogelijk maken.
    Overigens is de grote marktpenetratie in bijvoorbeeld Denemarken vooral mogelijk gemaakt door hoge belastingen de afgelopen veertig jaar op olie en gas.

  • 07.12.2016 - 18:00 uur | Mark Bouwmeester

    Jammer, Alexander, dat je alleen Denemarken en Zweden (koud in de winter) als referenties noemt. Hoe is het met Duitsland? Frankrijk? Engeland? De nieuwbouw huizen van tegenwoordig hebben een koude behoefte in de zomer en een zonnecollector doet het werk in de winter. Een warmtepomp die zomers koude kan maken en swinters extra warmte zou dan aanvullend voldoende zijn. Een dunne elektriciteitsleiding naar de woning ipv en gasleiding of een dikke (zeker bij 40oC) water leiding. Bestaande stadsverwarmingsnetten maximaal uitnutten met duurzame warmte, ik ben helemaal voor. Maar nieuwe op restwarmte gebaseerde warmtenetten aanleggen?

  • P De Lang
    07.12.2016 - 16:23 uur | P De Lang

    Dit is een slecht artikel hier word stads verwarming beschreven als een verlies post voor de staat. Maar 45 jaar geleden 1971 toen was de wijk verwarming al 28 % duurder dan met eigen ga gestookte cv ketel het huis verwarmen! Het niet meer dan anders principe was een melkkoe voor Gemeente waar ook stads verwarming was namelijk door het nmd anders principe bij de stads verwarmiings opte tellen werd de prijs voor stads verwarming ook weer 26% duurder als zelf stoken met een eigen ketel. 2015 woonde wij nog in een huis met stads verwrming.! Nu wonen weer in een hiuis waar een eigen cv ketel hebben.scheeld30% met stads verwarming onze bungelo was 20 jaar oud met een energie label a++ .Onze huiderge woning is ook 18 jaar oud heeft een A label!!! dus stads verwarming is duur vergeleken met eigen cv ketel stoken.

  • P. Lomito
    02.12.2016 - 18:43 uur | P. Lomito

    Gaan we weer, restwarmte is een sprookje, het gaat doorgaans om zogenaamde aftapwarmte ofwel warmte die specifiek voor het warmtenetwerk gemaakt wordt en dus geen duurzaam afvalproduct is maar de hoofdactiviteit van warmteopwekkers met soms stroomopwekking als bijproduct. Tegelijk worden nieuwbouwwoningen doelbewust ondermaats geïsoleerd wanneer er sprake is van een aansluiting op warmtenetwerken. Zogenaamd omdat de warmte al duurzaam is maar in werkelijkheid om de weinig rendabele warmte-omzet op te jagen. Ook hier zal t.z.t. een parlementaire enquêtecommissie zich buigen over de vraag hoe de politiek zo'n duurzaamheidsdrama heeft kunnen toestaan.