Duurzaam gebouw valt in praktijk tegen

07.01.2016 | Branchenieuws | 1893 keer bekeken
Duurzaam gebouw valt in praktijk tegen

Kantoorgebouwen die zijn ontworpen op basis van een bepaalde duurzaamheidsnorm halen in de praktijk niet altijd de gewenste resultaten. Dat zegt consultant Machiel Karels van ingenieursbureau DWA, dat regelmatig projecten voor duurzaam vastgoed begeleidt en monitort.

Karels deed zijn uitspraak op de vakbeurs Energie 2015 in de Brabanthallen te ’s-Hertogenbosch, waar hij spreker was op een lezingensessie over het meten van duurzaamheid. ‘Een gebouw kan aan een bepaalde duurzaamheidsnorm voldoen, maar als het comfort onder de maat is moeten alsnog de installaties worden aangepast. Dan span je het paard achter de wagen.’ Karels pleit ervoor om de duurzaamheid van een gebouw niet alleen bij de oplevering, maar ook steeds tijdens exploitatie te meten. Daarbij is het volgens hem ook zaak om te letten op het comfort: ‘Mensen moeten gezond kunnen werken. Zet daarom het personeel vooraan’.

Kosten versus comfort
Karels geeft een voorbeeld uit de praktijk. ‘De energiekostprijs van een gebouw komt ongeveer uit op 15 euro per vierkante meter bruto vloeroppervlak per jaar. Om de kostprijs te verlagen kan je de luchtventilatie verminderen, maar dit heeft een negatief effect op de gezondheid van het personeel. Een fte kost gemiddeld 50.000 euro en neem circa 20 vierkante meter in beslag. Omgerekend ben je dan 2500 euro per vierkante meter per jaar kwijt. Als de arbeidsproductiviteit door een goed comfort stijgt met 1 procent, levert dat 25 euro per vierkante meter meer op. Investeer dus in de juiste maatregelen en knijp niet op het comfort. Mits integraal benaderd kan een duurzaam gebouw en een optimaal binnenklimaat heel goed samengaan. Gelukkig zijn daar succesvolle voorbeelden van aan te wijzen,’ aldus Karels.

Duurzaamheid breed begrip
Duurzaamheid is een breed begrip. Het gaat niet alleen over energiegebruik, maar ook over vastgoed en materialen. Dat zegt Leo Smit, adviseur duurzaamheid van CO2-management BV. Volgens Smit is er op gebied van duurzaamheid nog veel te halen, vooral op gebied van energiebesparing. ‘Nederland verbruikt aan energie omgerekend 1,7 miljoen vaten olie per dag. Dat is een rij van duizend kilometer. Wereldwijd is de energie-efficiency slechts vijf procent, vanaf de winning van energie tot aan het eindgebruik,’ zegt Smit. Hij toont een sheet met de diverse bestaande normen om de duurzaamheidsprestatie te meten. ‘Dat zijn er zoveel dat legio ondernemers er hoofdpijn van krijgen,’ aldus Smit.

Meetinstrumenten
‘Er bestaan allerlei meetinstrumenten voor duurzaamheid,’ bevestigt consultant Machiel Karels van ingenieursbureau DWA. Hij noemt voor bestaand vastgoed de energieprestatiecoëfficiënt (EPC), waarbij de norm voor woningen nu 0,4 bedraagt en richting 2020 zal worden aangescherpt tot 0. De EPC vormt het wettelijk minimum voor gebouwen, zegt Karels. ‘Een ander instrument is de Greencalc, die echter is ingehaald door GPR Gebouw en Breeam. Breeam staat voor Building Research Establishment Environmental Assessment Method. Het is een bredere norm, die niet alleen vanuit de overheid maar ook vanuit het bedrijfsleven binnen de gebouwde omgeving wordt ondersteund. In Nederland is inmiddels circa 3,3 miljoen vierkanten meter bruto oppervlak gecertificeerd volgens Breeam.

Bredere Breeam-norm
De Breeam-norm wordt regelmatig bijgesteld, omdat de techniek voortschrijdt, zegt Karels. De norm kent negen categorieën, variërend van energie en materialen tot transport, afval en gezondheid. Breeam heeft onder andere een norm voor nieuwbouw (Breeam-NL), voor gebruik (Breeam-in use). Deze laatste variant gaat niet alleen over het gebouw zelf, maar ook over het beheer en het gebruik. Dat maakt de norm geschikt om aan te tonen of de gewenste energiebesparing ook in de praktijk wordt gehaald. Een van de meest recente gebouwen met Breeam-in use is het Provinciehuis van Noord-Brabant, dat maximaal scoorde op het thema afval. ‘We zijn de fase van de early adaptors voorbij. Er zijn nu driehonderd gebouwen met Breeam-NL, en de eerste panden met Breeam-in use zijn opgeleverd.’

Ver plassen
Karels waarschuwt voor een ‘spelletje ver plassen’, waarbij vastgoedpartijen elkaar willen aftroeven met de hoogste scores voor duurzaamheid. ‘Veel partijen willen het Breeam-label ‘excellent’ zodat hun gebouwen hoog in de ranglijst staan. Daardoor is hun gebouw duurzamer dan wettelijk vereist, maar in de basis is dit een goede zaak. Het is immers belangrijk om toonaangevende voorbeelden te houden, die andere bedrijven en organisaties inspireren om hun gebouwen ook te verduurzamen.’ Voor materiaal is het moeilijker om te verduurzamen, zegt Karels. Zo is beton een ‘slecht’ materiaal omdat het veel energie koste om te maken. ‘Materiaal weegt beperkt mee in de Breeam-score en vraagt om ketenintegratie. Daar ligt veel potentie tot verbetering,’ aldus Karels.

Foto: Provinciehuis Noord-Brabant in Den Bosch is een van de meest recente gebouwen met een Breeam-in use label. Het gebouw scoort goed op het thema afval (foto Wim Hollemans / Provincie Brabant).

Tekst: Norbert Cuiper

Redactie Ensoc, 7-jan-16

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Meld jezelf nu aan voor de Ensoc nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws, trends en aanbiedingen.

Reacties (1)

Reageren
  • P. Lomito
    18.01.2016 - 09:22 uur | P. Lomito

    Dat de resultaten (lees: energieverbruik) tegenvallen ligt vooral aan de tekortkomingen van de wettelijk verplichte EPG-methode die nog altijd installaties overwaardeert ten koste van gebouwisolatie, compactheid en luchtdichting. De EPG is in oorsprong ontwikkeld vanuit de installatiebranche die al langer gewend was om de warmtevraag van gebouwen te bepalen en daarmee verwarmingsinstallaties te dimensioneren.

    De EPG-methode is daarom als ontwerpinstrument ongeschikt en zou eigenlijk alleen gebruikt mogen worden om woningen/gebouwen onderling te vergelijken... zelfs voor toetsing is de methode niet geschikt omdat een verkeerd beeld wordt gegeven van de te verwachten energieprestatie.